Select Page

Curado_728x90

Meervalwaanzin met een goudgeel randje – SVEN VAN MOEN

Meervalwaanzin met een goudgeel randje – SVEN VAN MOEN

Het najaar is en blijft de tijd om roofvis achterna te zitten. De vis slaat reserves in voor de winter en is actief. De meerval is daar geen uitzondering op. Specialist Sven van Moen kan er over mee praten en blikt terug op zijn waanzinnige najaarsoffensief medio oktober!

Door Sven van Moen

De zomer start vroeger en eindigt later. Ook in de Rhône delta. De gemiddelde watertemperatuur ligt hier ook nog eens beduidend hoger dan in onze Lage Landen. Toch worden de dagen ook hier steeds korter, de nachten steeds langer. De snijdende mistral raast steeds vaker en langer door de vallei. De afkoelende rivierbedding vult zich met bladeren en takken, afstervende waterplanten en soms schijnbaar volledige bossen.

Niet de regen ter plekke, maar vooral de afvoer van hogerop gevallen water laat het debiet langzaam maar zeker stijgen. De salonvissers verdwijnen. Op de vlucht voor het najaar. Geen zin in die waanzin. Tijd voor het ernstige werk dus. Want de meervallen eten hun buik nog rond voor ze op winter regime gaan.  Zeker de grote jongens hebben reserves nodig en dit betekent maar één iets: vreten! Makkelijk zal het niet worden, tijd voor een nuance.

Wanneer de herfst zijn intrede doet weten de rivierbewoners dat ze reserves moeten inslaan. Tijd om nog een keihard vervolg aan het meervalseizoen te breien.

We spreken eind Oktober. Met 15°C onder water kunnen we niet klagen, hoewel de trend duidelijk dalende en per definitie dus allerminst bevorderlijk voor eetlust en metabolisme is. In tegenstelling tot de temperatuur gaan de waterstand en het debiet gestaag omhoog. Voor veel vissoorten is dit het signaal om de foerageerplekken te verlaten en de standplaatsen op te zoeken. De stofwisseling vertraagt.

De omstandigheden worden snel zwaarder: stroming en drijfvuil bemoeilijken het vissen, het weer en de steeds korter wordende dagen vereisen een goede moraal.

Diepere stukken met minder stroming, obstakelrijke zones, zijarmen en aangetakte plassen genieten vanaf nu de voorkeur, louter om energie-efficiëntie redenen. Ze trekken steeds minder vaak en minder ver op voedseltocht om uiteindelijk tijdens de winter haast uitsluitend nog passief op de standplaats door te brengen. Niet bepaald hoopgevend voor de statische visserij, waarbij we in principe ‘vallen’ uitzetten om jagende meerval te onderscheppen.

Ook de rivier zelf lijkt zich tegen ons gekeerd te hebben. De vuilvracht is bij momenten enorm. Ettelijke visdagen vergaan in het vrijhouden van hoofdlijnen, montages en boeien. De stijgende waterstand dwingt ons steeds hoger de oevers op te klimmen, kampement inbegrepen. Tot er uiteindelijk amper nog een stek bevisbaar is vanaf de oever.

Maar wie zich goed voorbereid en de omstandigheden meester blijft, heeft kans op regelrechte supervangsten!

Al bij al dus toch geen ideale omstandigheden. En toch is het najaar dé periode om de echt grote vissen te belagen, althans voor wie moedig genoeg is en daarnaast ook creatief is op technisch en tactisch vlak. Laat dit alles je nog niet ontmoedigen beste mensen, want het belangrijkste fenomeen tijdens deze snel somberder wordende dagen is er één van formaat en werkt wel degelijk in ons voordeel als visser tijdens deze najaarswaanzin: hoogwater.

observeren

Welkom in de boeiende, maar vaak harde wereld van de afspanvisserij tijdens de herfst. Voor en tijdens elke sessie houd ik on-line zicht op het weer, de waterstand en het debiet. In eerste instantie niet om visserij-gerelateerde redenen, maar vooral met het oog op onze eigen veiligheid. Plotse schommelingen van de waterstand zijn in beide richtingen potentieel een acuut probleem als ik ze niet voordien heb ingeschat. Denk hierbij aan droogvallen van het botenkamp, of het overstromen van het kamp op de oever. Er wordt echter geen uitzonderlijke neerslag voorspeld, de waterstand stijgt al ruim een week met een decimeter per etmaal. Het debiet bereikt bijna 2000m³/sec.

Vooral de logistiek is van essentieel belang. Om de stekken te bereiken en daar ook enkele dagen volgas te kunnen vissen moet het materiaal optimaal op de situatie afgestemd zijn.

De stekkeuze tussen eetplaats of standplaats was nooit moeilijker dan nu. De beste strategie is om de kansen te spreiden. Eerste vereiste is dus dat je kamp opslaat op een stek waar zowel stand- als eetplaatsen binnen bereik liggen, dus maximaal 300 m ver. Twee hengels op een typische standplaats en de andere twee op vermoedelijke eetplaatsen. Elk van beide zijn moeilijker dan ze initieel lijken. De eetplaatsen zijn moeilijker te vinden, aangezien de meeste prooivissoorten intussen rustiger oorden aan het opzoeken zijn.

De standplaatsen daarentegen worden steeds dichter bevolkt, maar die liggen vistechnisch veel moeilijker. Vaak zijn dit diepere stukken in de vaar- en stroomgeul. We moeten hier met onderwaterdobber montages aan de slag, we willen ons aas namelijk op de standplaatsen in de buurt van de bodem presenteren en liefst net voor de muil van snorremans.

Bij hoogwater zoekt het natuurlijk voedsel hun heil ver weg van de razende hoofdstroom, dus wordt de aasvis ‘freestyle’ afgespannen in de oeverzone met behulp van een breeklijn montage.

De hengels op de eetplaatsen worden freestyle afgespannen -bvb in de takken- of met een boei gevist. Actief jagende meervallen zoeken hun prooien immers graag boven hen. De aasvissen zwemmen vaak minder dan een meter diep. De hoofdlijn blijft volledig boven het oppervlak gespannen en wordt daardoor minder belast door stroming en drijfvuil. De kunst bestaat er bij deze hengels vooral in om nog effectieve eetplaatsen te vinden vooraleer je ze ook daadwerkelijk kunt gaan bevissen. Door zelf ter plekke aasvissen te proberen vangen krijgt men een indruk van de beoogde stek als eetplaats.

In deze periode van het jaar mogen we rekenen op gemiddeld grote vissen. Het zijn uitgerekend de oudere vissen die maar al te goed weten dat ze nu hun winterreserves moeten verzamelen en waar ze dit bij uitstek kunnen doen. Schuw niet om grote aasvissen te gebruiken. Het is vaak zo dat de echt grote jongens deze tijd van het jaar op het droge komen.

Mijn tweede manier om dit vast te stellen is oer-ouderwetse observatie. Ja, gewoon kijken. Je houdt het niet voor mogelijk wat een mens te weten kan komen door gewoon te kijken. Met wat geluk ligt er een rig boven die ene vierkante meter tegen wat overhangende bomen waar ik enkele mooie aasvissen heb gevangen en een andere via een boei op het plekje waar ik tot drie keer toe een karper heb zien springen. De avond valt snel. Het koelt goed af. ’s Morgens gaan de hemelsluizen open. We wachten nog even in de hoop dat de bui voorbij trekt. Niet dus. Geen enkele aanbeet gehad. Wel twee middelgrote Acacia stammen gedrild. O ja, we hebben nog één klein aasvisje op voorraad.

vooruit met de geit

Vooruit met de geit dus. Geen getalm. Opplooien, hozen, inladen, varend een nieuwe stek zoeken, weerbericht, waterstand en debiet nazien. Kamp opslaan. Snel een koffie. Feederhengels op scherp.  Uren later ben ik de trotse eigenaar van vier zelfgevangen aasvissen. Ik denk kolblei, maar dit is moeilijk te zeggen als ze nog niet eens 10 cm lang zijn. Tactisch hou ik alles gelijk: zowel stand- als eetplaatsen bevissen.

Wanneer het hoogwater weer voorbij is en het wachten geblazen is op de volgende watertoevoer, bevissen we eerder de diepere zones. Dit doen we met onderwaterdobber montages die het mogelijk maken om ons aas statisch in de buurt van de bodem aan te bieden.

Technisch moet alles weer anders. Alle onderlijnen aangepast voor gebruik met kleine aasvis. De onderwaterdobber montages moeten zodanig ver komen te liggen dat er teveel hoofdlijn door de stroming loopt. Binnen enkele minuten na inleggen breekt de breeklijn aan de steen van ene hengel en gaat de steen van de andere aan het rollen. Ik schuif een extra speldwarteltje op de hoofdlijn om ze te kunnen omleggen via een scheepvaartpaal net opwaarts de beviste stek.

Als het goed zit vallen ook op deze manier tijdens de herfst meer dan behoorlijke vangsten te boeken.

Ik maak een omlegpunt aan de paal met behulp van de adjusta bouy float. Eerst laat ik de rig met steen opnieuw op de beoogde plek afdalen, om vervolgens met de tweede breeklijn al schuivend over de hoofdlijn naar het omlegpunt te varen. Dan pas vaar ik terug naar basiskamp waar de hengel afgesteund wordt. Op deze manier loopt de volledige hoofdlijn horizontaal en ruim boven het wateroppervlak tot aan het omlegpunt, om vanaf daar slechts enkele meters water te doorkruisen. Het systeem werkt vlekkeloos. Geen vuiltje kan nog in mijn lijn spoelen en 95% van mijn hoofdlijn bevindt zich boven water. De hengels blijven scherp vissen zonder mijn tussenkomst.

Door de hoofdlijn van de onderwaterdobber hengels ‘om te leggen’ kunnen we op discretere wijze veel meer stekken bevissen. Het omleggen gebeurt met een extra breeklijntje op de hoofdlijn.

Tegelijk vang ik enkele mooiere aasvissen. De omgelegde onderwaterdobber montages doen het super, ondanks de zwaarder wordende omstandigheden. In het eerste ochtendlicht mag ik twee kapitale vissen van 211 cm (!) en 236 cm (!) op de gevoelige plaat vastleggen. Had ik de lijnen niet omgelegd, dan had ik deze prachtige vissen wellicht niet kunnen vangen.  Het regent nog steeds, maar het deert me niet want ik zie wel zwart-grijze wolken, maar dan met een gougeel randje. ‘Najaarswaanzin’, denk ik. Wist ik veel dat de waanzin nog komen moest.

De waanzin

Ik merk op dat het water snel bruin wordt. Ik weet dat dit wel vaker de voorbode van hoogwater is. De zondvloed die zich de volgende uren aankondigde had ik eerlijk gezegd onderschat. Het peil stijgt net geen drie meter nog voor het middag is. Het debiet is de 5000m³/sec ruim gepasseerd. Verkassen is bijgevolg enkel nog in afwaartse richting mogelijk. Mijn 15pK benzinemotor redt het tot 3500m³/sec…

Zonder dit ‘omleggen’ van de montages had ik deze twee knapperds wellicht niet kunnen vangen.

Het plotse hoogwater mag dan wel indrukwekkend en vis- en vaartechnisch zelfs erg onhandig zijn, het blijft de heilige graal van het meervalvissen. De dalende -of zelfs winterse- watertemperaturen lijken plots geen rol meer te spelen. Het hoogwater activeert de meervallen, en niet in het minst de grote meervallen.

Ganse gebieden die anders droog staan, overstromen aan snel tempo. De pas ondergelopen gebieden zijn een waar smulparadijs voor veel vissoorten. Alle kruipende en wriemelende beestjes kunnen vluchten ofwel verdrinken. En zoiets werkt als een magneet op heel veel vissoorten. De meerval kent de situatie natuurlijk ook en gaat zich tegoed doen aan de vele prooivissoorten in de veelal ondiepe, overstroomde zones. Door het hoogwater zijn echter geen stekken meer bevisbaar vanaf de oever. Het botenkamp wordt strategisch afgemeerd zodat we vrij eenvoudig freestyle kunnen afspannen in en aan de ingang van zo’n overstroomd gebied. In een mum van tijd staan de hengels op scherp.

Tegen het einde van de herfst zijn door de stijgende waterstand amper nog stekken vanaf de oever bevisbaar. We zijn genoodzaakt om vanop het water te vissen met een volledig ‘botenkamp’ als gevolg.

Vanaf de eerste worp met de feederhengel gaan er grote aasvissen aan de haak hangen. Gewoon op maden en waar een halve dag geleden überhaupt geen water stond. Gemotiveerd als nooit tevoren door de najaarswaanzin knoop ik een nieuwe onderlijn voor het vissen met zo’n joekel in de ingang van het overstroomde gebied.

Voor het donker wordt, ruilen twee gemiddelde vissen hun plekje aan de gedekte feesttafel waar amper een meter water staat voor een pose met mezelf voor de lens. De nacht verloopt tegen alle verwachting in actieloos. Kort na zonsopgang plooit de Commando hengel rustig maar steeds krachtiger voorwaarts. Twijfel bij het eerste contact. Toch geen losser?! Neen! De vis zwemt naar me toe.

Dit laat ons toe om te blijven vissen waar we dat willen waardoor we zelfs tot laat op het jaar nog regelmatig mooi bezoek over de vloer krijgen.

Door de karrenvracht aan drijfhout waartussen ik moet drillen lijkt het me -ondanks de korte afstand- verstandiger om toch maar vanuit de bijboot te drillen. Het troebele, bruine water houdt de spanning tijdens de dril des te hoger. Geen idee van het formaat totdat hij effectief door het oppervlak breekt. En dan was daar weer die vertrouwde ‘slik’… een massief gebouwde gigant die het uitlegbootje belachelijk klein deed lijken. Een misgroeide staartpunt en toch nog goed voor exact 244 cm!!! Najaarswaanzin met een goudgeel randje.

Na de middag daalt het debiet voldoende om terug opwaarts te varen. Een dag en nacht thuis zal me goed doen. Drogen. Wassen. Eten. Slapen. Om vervolgens de weersvoorspelling, de waterstand en het debiet te bekijken…

 

 Sven van Moen